In het Arbeidersverbond

1.1 De stichting in 1922.

De drang naar voetbal en de beschikbaarheid op Molenheide en omgeving van talloze potentiële spelers, zijn te groot om geen werk te maken van een officiële voetbalvereniging.

Op 22 april 1922 sticht men Excelsior Essen. Het Volkshuis is het sportlokaal en de rode geaardheid van de oprichters, weerspiegelt zich in de kleuren van de club : rood-wit. Excelsior sluit zich aan bij de Socialistische Arbeidersvoetbalbond.

Aan Excelsior’s wieg staan Sooi Guns en Nandje Snepvangers. Zij zijn de gangmakers van een pleiade talentvolle voetballers, die een alternatief voor de Olympia-club vinden in Excelsior Essen m.n.: Gust Nieuwlaat, Rik Cools, Jaak Van Den Boom, Beer en peer Noldus, Gust Van Thillo, Charel Courtois, Door Van Den Brand, Jaak De Ruysser, Fons Van Thillo, Pol Donkers, Gust Milbouw, Jul Van Geldorp, Gaston en Louis Mutsaerts, Louis Elst of ’t Katje, Jul Tak, Keeske Roelands, Peer Elst, Peer Coenraads, Tijn Adriaenssen, ...

Deze jonge mannen hebben hun conditie en voetbaltechniek opgedaan in de gezonde lucht van de Calmeynse bossen. Hun voetbalbatterijen zijn opgeladen.

Vanaf haar stichting heeft de vereniging gespeeld op het terrein aan de Oude Baan. Halverwege Wildert in de Oude Baan liggen enige weilanden en bietenvelden. Deze gronden zijn eigendom van Kamiel Smeyers, de Essense beenhouwer, die er zijn runderen op vet mest. Op die uithoek van Essen liggen de grondprijzen aan de lage kant, maar toch buiten de mogelijkheden van de voetbalvereniging. De zopas in 1919 te Essen opgerichte partijafdeling van de B.W.P. beoogt de aankoop van genoemde gronden en hun voorzitter Octaaf Lauwers voert met Kamiel Smeyers langdurige onderhandelingen.

In de familie Smeyers is voetbal een gekend begrip, Julien en Frans zijn immers befaamde Essense Olympia spelers en Kamiel staat welwillend tegenover een eventuele transactie. Natuurlijk beschikt ook de jonge partijafdeling niet over de nodige fondsen, maar Octaaf Lauwers bepleit bij de hoge B.W.P. instanties de noden van zijn Essense kamaraden. Uiteindelijk wordt de verkoop gesloten tussen beenhouwer Smeyers en de B.W.P.-voorzitter van Essen, de heer Lauwers, die optreedt in naam van de Union Coöpérative de Liège. Deze maatschappij heeft geen bezwaren dat het hooggelegen zandveld tegen de Oude Baan, als voetbalterrein wordt gebruikt door Excelsior.

Op de linker flank van het veld, rechtover de oude kantien, is er een kuil die kan tellen. Twee jaren lang worden de zomeravonden door spelers, bestuur en symphatisanten opgeofferd om deze laagte met schop en kruiwagen te dempen. Het Volkshuis vaart er wel bij, daar wordt achteraf het stof uit de kelen gespoeld, aan 0,75 frank per pint. Tijdens de eerste wedstrijden komt het er op aan om deze linkerkant van het voetbalveld zoveel mogelijk te mijden. De laagte werd zo goed weggewerkt, dat generaties lang, de linksbuiten spelers op die flank van het Excelsiorveld berg op hebben gespurt. Werd de egalisatiefase over het hoofd gezien of moeten wij het Faro bier uit die tijd hiervoor aansprakelijk stellen ?

Pikant detail is de ophef die de grondverkoop in die dagen te Essen teweeg bracht. De transactie verstoorde lange tijd de relatie tussen de Essense geestelijkheid en Kamiel Smeyers.

In 1922 speelde Excelsior nog niet in competitie. Op en rond het speelveld is nog heel wat te doen, er is helemaal nog geen accomodatie voor de spelers. In de eerste jaren verkleden de voetballers zich thuis en komen per fiets of te voet naar de Oude Baan. Deze armtierige omstandigheden worden weggewerkt als de club aan de ingang de kleedkamers bouwt, die tot na de oorlog dienst zullen doen.

Echte voetbalschoenen waren in die eerste jaren een begerenswaardig bezit. Voor de aankoop ervan werd maandenlang gespaard. Jaak Van Den Boom, uit de Kammenstraat, vertelt met nog onverhoolde trots over de eerste paar shoes, die hij in de Rochusstraat te Antwerpen liet maken. Hij herinnert zich nog de oude krom gewerkte schoenmaker in zijn benepen, naar lijm en leer stinkend werkwinkeltje. Hoge, zware solide schoenen waren het met een waarborg van vijf jaren. Hij beaalde er 36 Fr. voor.

In de jaren twintig is er geen sprake van een autobus. De verplaatsingen gebeuren per trein, heel dikwijls tot in Kapellen, waar men overstapt op de tram. In het Arbeidersverbond vindt men in de onmiddellijke omgeving immers geen tegenstrevers. De gehuwde Excelsior spelers betalen in die tijd de helft van de reiskosten en de vrijgezellen de volle pot. Is het nodig te vermelden dat de hele uitrusting door de spelers zelf bekostigd wordt ?

Gepubliceerd op 27-1-2013 om 00:00